A
Laattijdige erfenis
Decadente najaarsnacht als laatkomer,
aalbessen bloeden op getemde aarde,
wormkoningen nestelen in klokhuizen,
hersenen van adamsvrucht.
Laatgotisch tekenen stammen religies
in rituele indigo nachtpastels,
een oud labeurpaard dommelt in
op oermuziek van rusteloze rukwind.
Laattijdig wil ik alles erven, rapen, ruiken.
Guy Commerman
Getuigenis van zinnen, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2015
AALWYN
6.51
kom gastjes, schoenen aan.
mijn leeg gat heet het gehad.
buiten ruikt het beter. de kleine veldkers op onze oprit. en hier:
het huis is weg en nu groeit er speerdistel. japanse kamperfoelie
naast het bord dat vlaanderen weer van ons is. aan deze sering
start het stravasegment waarvan ik de kom heb. en wat vind je van
die boerderij met zijn westelijke aardbeiboom en zijn langbladige
druivenhyacint? keizerskaars bij de klasgenootjes.
Xavier Roelens
Wildnissen, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2026
1.13
ik verlangde dat mijn biefstuk iets langer, de aardpeer
iets zachter, verlang jij naar kweeperenmoes
bij de kippenboutjes, naar een peperkoeken
huisje verlangde ik, ik verlangde naar een porsche
met batterijen om de marsepeinen muren
op te rijden, ik verlangde naar
de langste afstandsbediening ooit
Xavier Roelens
Wildnissen, Atlas|Contact, Amsterdam|Antwerpen, 2026
Abeeltjes
Zij staan als wie zijn hand ophoudt
niet hoger dan een kind. Het sneeuwt.
Het lange staan van kleine bomen
waar weer en wind de hand in had,
het is wat ze is overkomen
hun levenslange bedelpad.
Chris J. van Geel
Tirade, 18de jaargang, nummer 200, Amsterdam, 1974
&
Oude abeel
Ik heb hem aangeraakt omdat hij ruiste,
mijn oor dicht aan zijn stam gelegd,
hij trilde in zijn boombast,
luisterde.
Chris J. van Geel
Revisor, 10de jaargang, nummer 4, Amsterdam, 1983
ABRIKOOS
ABUTILON
ACACIA
weerbarstig de bast
acacia met esdoorn
waarachtig gedicht
Hans Mellendijk
Hoe bomen elkaar omhelzen, Personare, Doesburg, 2016
ACANTHUS
Orgelkast
Blaast uw bolle kaken vol,
engelen en bazuinen,
vult de pjpen, hoog en hol,
wiegt op koon en kruinen!
Davert onder vout en kruis,
cimbel en bombarde.
Scheurt het koorchip met gedruis,
steekt de zon aan flarden
hobo, prestant en falset!
Helpt mij registreren,
de trompetten aangezet,
sierlijk moduleren!
Englen op acanthusblad
blaast met bolle kaken
waar ’k in ’t dal van Josaphat
dansend moet ontwaken!
Gery Helderenberg
Verzamelde gedichten, De Gulden Veder, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1978
ADDERKRUID
Amor in Botanica
Voorjaarsadonis zag Margriet
staan stralen bij het hekje
en met een krokus was ’t geschied
op haar zoet leeuwenbekje.
Één keertje had hij aan de kust
een zandblauwtje gelopen.
Nu hoefde hij, alweer gerust,
geen monnikskap te kopen.
Ze liepen op een hondsdraf door
- met ganzenvoetenpasje –
het oude wilde ridderspoor,
zij met haar herderstasje.
Er werd van duizendguldenkruid
gepraat, van goudenregen
en zilverboom, maar voor de bruid
het varkensgras verzwegen.
Dit, dacht hij, is mijn ereprijs,
gedaan met madeliefje;
ik wil verandering van spijs,
die schrijf ik wel een briefje.
Een judaspenning kreeg ze ook,
als alle lieve vrouwen
met wie hij in het bedstro dook
zonder met ze te trouwen.
Margriet wou binnen muur en hek
viooltjes en een egel,
en iets uit ooievaartjesbek
na Salomon z’n zegel.
Ze trok hem aan zijn geitenbaard
- een koningskaars in ’t donker-
maar bitterzoet bleef hij van aard
en ’t bleef een kale jonker.
Het werd geen voorbeeldhuwelijk
als van vergeet-me-nietje,
veeleer een diep afschuwelijk
karwij en akkefietje.
Toen hij haar weer eens ontrouw was
en met een klaproos stoeide,
bleek dat er lang al onder ’t gras
veel adderkruid mee groeide.
Voorbij de tijd van zonnedauw;
hij prikt nu als brandnetel
en slaat soms met een berenklauw
de druk dan van de ketel.
Het heksen-, slangen-, bitter,- knoop-
en meer nog zulke kruiden
voeden in haar weer nieuwe hoop:
een sneeuwklokje gaat luiden.
Want morgenster zoekt ogentroost
zolang zij zilverschoon is;
misschien krijgt ze wel ooit nog kroost
van een zomeradonis.
Jos Wilmots
Amor in Botanica, eigen beheer, Hasselt, 2005
&
Mijn twaalf geliefde Ruisaards
De boekenboom van Johan Six met al die
half verscheurde
half vergane of vernietigde boeken en encyclopedieën.
De wonderboom die zeer giftig is voor de mens en het paard.
De olm voor de uilen die daar schuilen.
De ahorn die huilt zoals in het Duitse woord Ahorn.
De berk met het berkensap en de zilverwitte stam
voor een berkenkruisje bij het graf van een oud Oostfronter.
De kersenboom (Prunus cerasus) die doet denken
aan de kersentuin van de elitaire Tsjechov in Rusland.
De Japanse esdoorn omdat een Japanse tuin niet zonder kan.
De magnolia omdat die zo mooi in bloei kan staan.
De peppel zoals in een gedicht van de verheven dichter Leopold. De
dennenboom voor onze besneeuwde kerstdagen
in het zuiden van Tirol.
Een treurwilg (un saule pleureur) met dat groengeel gebladerte
zoals in Brugge aan het Minnewater
en de sequoia omdat die hoog naar de Californische hemel reikt.
Hendrik Carette
AKKERKOOL
Pro-creatie
Tussen het onkruid plantte ik bloemen maar de bijen
lusten alleen de wilde.
Ben ik het onmens gekweekt onder LED-licht
of de wilde, geboren uit het verlangen naar mijn moeder?
Weelde van woest leven, ritme van fotosynthese als solo's
in een jazzconcert elkaar aftroevend
met hun variaties op het thema van bloei en vrucht.
Ik heb gewacht tot de akkerkool zijn naam onthulde
weken wist ik niet wie dat blad was
tot ze even lang als ik getorend, ontbrandde
in een kroon van fijne vlammetjes
die aan het zonlicht likken.
Tussen de steeltjes gevangen wilgenpluis
verraadt onzichtbare spinnenpaden.
Ik los een schot in het duister
en luister naar de aftocht van een ruwe gok
dat ook ik
oud vruchtbeginsel
iets van mijn zaden in de wind verspreid.
Roberta Petzoldt
Zeebeving, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2025
AKKERWINDE
Aftelrijm
akkerwinde akkerwonde
struikelhout en kreupel gewas
toen wij nog in wij-land graasden
en in wonderen geloofden
tussen de paarden in de lucht
tussen venusheuvels
en wolken van bloesems
toen kwam het orakel over mij
met gerakel van bezweringen
wierook en gezwets
delfi aan de achterdeur
met elke vlam
kwam het koudvuur nader
leven werd het langste aftelrijm
tussen twee dode spiegels
Guido Dobbelaere
leestekens van de overtocht, Het Beleefde Genot, Zedelgem, 2019
De kant van de speelplaats vol condens.
In het deurgat verscheen een man, hij leek
niet anders dan onze vaders.
Mijn handen voelden koud. Er was geen plaats
om onze kleren te laten drogen.
Hij diepte taal op uit zijn woordentas,
met krijt kraste hij in onze oren. Onze meningen
verslapten niet. Ze stelden geen hoge eisen
aan het licht, maar toonden in stilte hun stekels.
De aloë vera’s spiegelden op de vensterbank.
Zijn woorden konden we niet verkeerd begrijpen,
want Hij was erin aanwezig. Hij hoorde
geen belsignaal. Zijn woord werd eindeloos
hernomen. Telkens kreeg het betekenis.
Een uitweg was er niet. In wat hij zei,
liepen we verloren.
De schaamsoort, Poëziecentrum, Gent, 2024
AMANDELBOOM
Vincent van Gogh 1
Wat bloeit de amandelboom of het azuur?
De omtreklijn ontgaat het oog, het koloriet
taalt om oneindigheid, en de amandelboom
toont de drang om schilderkunst te worden.
Het einde van de route heet amandelboom,
van de kwaadwillige wintertuin te Nuenen,
tot de bloesems van mijn godgeklaagde liefdes.
Ik word heel en al oog. Ik tel de tegenslagen
niet meer, die me naar mezelf geleid hebben.
Het licht verplicht het oog zichzelf te wezen.
Marcel Obiak
Een eeuwig eind, Poëziecentrum, Gent, 2008
&
Bloesem van amandel
AMARANT
Civilitate morum puerillium libellus
Desiderius Erasmus, 1510
Met ogen druipend van verlangen
te doodkleurig in. Mijn excuses,
dames en heren wormen, dat ik
besta uit moten vlees, botten,
metalen hulpstukken en wat
dunne haren. Plantaardig
thuiskomen is er voor mij niet bij.
Sorry, beetgaar ben ik geenszins,
en eerder saignant dan bien cuit.
Mijn kinderen daarentegen heb
ik opgebouwd uit zilvervliesrijst
amaranth, abdukibonen, tahin,
gedroogd zeewier en ongebrande
noten. O ja, en ook tofu en tempeh.
Assaisonneren naar eigen wensen.
Wees gerust, ik moei me niet met
jullie etiquette aan tafel. En ook
niet met het geijkte debarasseren.
Maar laat je nog wat van me over
voor de later komende wormen?
Daniel Billiet
Valentijnsdag 2024
‘Goede manierlijke zeden, hoe de jongere gaen, staen, eten, drinken, spreken,
swijghen, ter tafelen dienen en de spijse ontghinnen sullen’
De stad trekt haar gevels op – Bloemlezing t.g.v. 15 jaar dichterscollectief Deinze, Oekkaf, Deinze, 2025
AMARYLLIS
Amaryllis
Zij is uit vuur.
Zij is al zwoegende ontbrand.
Van adel is zij.
Gewapend staat zij opgericht.
Haar kamers groen, haar bronnen zand.
Zuster van mij.
Wij overwinteren de levenstijd.
De gruwelijke dood komt naderhand.
Zon, maan en sterren stamelen voorbij.
Lantarens zijn wij in het avondland.
Maria de Groot
De Rozen, De Prom, Baarn, 1991
AMBERBOOM
ANANAS
ANDIJVIE
aan tafel
de dieren weten niet hoe laat en
waar hun tafel wordt gedekt:
gedragsverrijking
anders gaan ze zich vervelen
dat zien de mensen liever niet
daarom verstoppen ze hun eten
de schors nog aan de takken
andijvie tussen het hooi
hun brokken in de holle boom
speurtocht met beloning
als jij lang aan tafel moet zitten
stil zijn en luisteren en vooral niet
met je handen eten
als je op wilt staan en dat mag niet
zeg dan:
gedragsverrijking
Katelijne Brouwer
laat mijn egel met rust, Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam, 2025
Anemoon Honorine Jobert
Het ijle van de witte anemoon op
taaie stengel. De wind in verwarring
merels op vinkenslag.
Niets nog bovenaards. Bloeien maar.
Slaapdronken uitwaaiend. Blaadjes
als vaantjes. Zijdepapier.
Ik zeg je: het zijn minnaars
in de vitrine van de tuin. Uitgestald.
Alleen zichzelf. Het hart
ontkleed. Meeldraden verknoopt.
Verraderlijk hun dood. Zonder gezichtsverlies
geknakt.
Jo Gisekin
Dooitijd, Poëziecentrum, Gent, 2012
ANJELIER
APENBOOM
APPELBOOM
De appelboom
Lezen in de appelboom
’t geluk dat er te bloeien staat
een aapje zijn
en klauteren in de kroon
schudden aan de vrijheid
tot er een vrucht afvalt
geboren voor mijn kleine hand,
een volle maat
een volle beet geluk.
Fernand Florizoone
Lezen in de appelboom, Desclée De Brouwer, Brugge, 1976
&
ARONSKELK
Aronskelk
Dankzij de kussens in haar rug haalt haar blik de vensterbank.
De kelken van haar witte handen vallen in het laken uit.
Het achterland blijft onbereikbaar. Tegen wil en dank
rijpt daar het koren, waar water de grond verbruit.
Wel ziet zij voor het glasgordijn de grote waterplant,
die scheutig met het groen omspringt, de witte vlag
opsteekt, volgens ingewijden op bevel van hogerhand,
want wie schoon en breekbaar is, valt als een oogopslag.
Ik had het eigenlijk kunnen weten. Waterrijk en lelieblank,
een waas van heiligheid, de schoonheid van het liegen,
het ranke buigen in bevalligheid, de lokroep van de stank.
De dood verleidt de slaap met heel voorzichtig wiegen.
Ik leg de kussens op de stoel, sluip weg tot waar ik jank.
Zij zoemt zo zacht met voor het raam ’n valkuil voor de vliegen.
Albert Megens
Nieuwe wisselzangen, Opwenteling, Eindhoven, 1990
ARTISJOK
Chopin in de aspergevelden (4)
Asters
Asters zijn bloeiende bloemen mooie
zo paars als ze groot zijn en niet
groter dan verdriet
Asters maken een lange reis naar lege
ogen asters lijken sprekend op
niemand die luistert
Bart Vonck
Tijdgenoot: wandelaar, Pablo Nerudafonds, Brugge, 1986
AUBERGINE
AZALEA
veranda 1
wist filigrane druilregen de ruit de groene
tot doom tot ingerichte droom van verre
een azalea weegt en wikt het druppels geworden
druppelsgewijze water ook staat er een streng
van fluiten en kleuren in den hoge
te mijden moment denkt hij in een flits
van wenkbrauw tot wenkbrauw en penseelt
punkt
blau
Werner Spillemaeckers
Verzamelde gedichten 1954-1974, Uitgeverij Saeftinge, Westerlo, 1974