Posts

Aarde's donkerte ontkropen....

De Kruid- of Plantentuin, in de volksmond Den Botaniek , in de Leopoldstraat in Antwerpen is een hortus botanicus midden in de stad. Je vindt er een ongelooflijke collectie bomen, kruiden en planten die helemaal feestelijk oogt als een en ander in bloei staat. Wij wonen volkomen tevreden in een ruim appartement, met een balkon aan de voor- en een terras aan de achterkant. Het enige wat we af en toe missen is een tuin. Maar vermits de Kruidtuin bij ons om de hoek is, weten we er toch een nabij. Ik kuier er graag doorheen. Soms ga ik er op een bank zitten lezen. Op zeker ogenblik had ik de dichtbundel Beeldentuin van Lou Vleugelhof bij. Daar sloeg ik Wolfsmelk ( Atropa Belladonna ) uit op. “Da’s straf, die heb ik juist staan te bestuderen,” dacht ik. En even later las ik in die bundel Gevlekte scheerling ( Conium maculatum ) , waarop ik natuurlijk even wilde gaan zoeken of daarvan in de Kruidtuin ook een exemplaar was te vinden. Jawel hoor. En toen ging ik thuis in de poëziekast eens kij

A

AALBES Laattijdige erfenis Decadente najaarsnacht als laatkomer, aalbessen bloeden op getemde aarde, wormkoningen nestelen in klokhuizen, hersenen van adamsvrucht. Laatgotisch tekenen stammen religies in rituele indigo nachtpastels, een oud labeurpaard dommelt in op oermuziek van rusteloze rukwind. Laattijdig wil ik alles erven, rapen, ruiken. Guy Commerman Getuigenis van zinnen , Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 201 5 ABEEL Abeeltjes Zij staan als wie zijn hand ophoudt niet hoger dan een kind. Het sneeuwt. Het lange staan van kleine bomen waar weer en wind de hand in had, het is wat ze is overkomen hun levenslange bedelpad. Chris J. van Geel Tirade , 18de jaargang, nummer 200, Amsterdam, 1974 & Oude abeel Ik heb hem aangeraakt omdat hij ruiste, mijn oor dicht aan zijn stam gelegd, hij trilde in zijn boombast, luisterde. Chris J. van Geel Revisor , 10de jaargang, nummer 4, Amsterdam, 1983 ABUTILON Witte abutilon De zomer duurde deze keer te lang. Ze waren al weken n

B

BAARDMOS Zomer Ik schrijf, het is zo stil, de zomer zo groen als onder water wanneer je neerzinkt en de ogen opent een halfblinde wereld van opaak licht, een dichtgewoekerd oerwoud, geen kreet, geen ruisen, en nergens, nergens daarin een schim van jou. Welke kant zal ik opgaan, zal ik de rivier opvaren en verloren gaan in ziekten en ongedierte en hulpeloosheid? Of zal ik omkeren, in de steden dwalen en verloren gaan in ziekten en ongedierte en hulpeloosheid? Of zal ik hier wachten tot jij me vindt, overgroeid door lianen en baardmos, dichtgeregend, weggespoeld, een handvol zwarte aarde in de jungle. Hans Warren Nakijken, dromen, derven , Bert Bakker, Amsterdam 1992 BALSEMBOOM Mirre Langs heuvelruggen tussen tijm, theeroos, lavendel uit bast van balsemboom wordt bitter vocht gegaard, het sap vers van de schors door dieper borend kerven, gedroogd ten boordsteen, voor vandaag bewaard. Gery Helderenberg Verzamelde gedichten , De Gulden Veder, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1978 BALSEM

C

CACTUS De cactus De streng gesloten knop na maanden van bijna onzichtb’re groei ging op een zomeravond plotseling wonderlijk snel en hoorbaar ruisend open – en in de schemer hief het sobere eenzelvige gewas een bloem zo bovenmate rijk: kronen om kronen goud en purper dat het scheen of in één ogenblik een leven dat zich duizend jaar bezon voorgoed ontwaakte – Doch teder immer is de over-rijke en voor korte tijd geboren, hij verdraagt het grote licht niet van de zon waarin zijn pracht verdort van het verterend vuur niet dat hem schiep En als zijn leven kort maar hevig heeft gebloeid begint hij weer wijs en geduldig van de aanvang af. Gerard van Klinkenberg Tirade , 18de jaargang, nummer 199, Amsterdam, 1974 CANADA Ha brandende,     helgeel in de novemberzon brandende, oude windliederen zingende,     onbekommerd haar blaadjes dwarrelen latend over water en straat, auto's en fietsers,     Populus x canadensis, mijn goede buur, mijn oude buur ha. Frans Kuipers De Lach van de Sfinx , Atl

D

DAHLIA Dahlia’s Zo gemakkelijk als in 1804 hebben wij het niet meer. Toen bracht de Zweed Dahl uit Mexico nieuwe bloemen mee waarmee hij zijn naam vereeuwigde. Wij dichters reizen de wereld rond en staan elke dag weer te zwaaien met nieuwe bloemen in de Kempen. Maar de boeren zeggen dat er al onkruid genoeg is. En probeer hun maar uit te leggen wat poëzie is. Je komt van een kale kermis thuis. Een boer kent geen kompas, hij gebruikt geen vergrootglas. Nee, zo gemakkelijk als in 1804 hebben wij het niet meer hier. Robin Hannelore Vaarwel gele schrijver , De Roerdomp. Brecht/Antwerpen, 1994 DATURA Epiloog: Tabula Rasa III rechts spoedt zich in sappige moerasgrond leven naar lente varens laten sporen na heide spreekt van whiskygeur in tongen als erica vermomd met passend meisjeslatijn moet je nagaan wat anderen in de grond stopten waarvan ze vermoedden dat je het opgroef of dat juist wilden verhoeden we stekken vingerhoedskruid luisteren naar het ruisen van regen op salomonszegel kruise

E

EIK draaiend en dansend zinderend de beuk de eik kust en omstrengelt Hans Mellendijk Hoe bomen elkaar omhelzen , Personare, Doesburg, 2016 & De eik Wortels wijd verspreid Breed verankerd, geplant Bijna een leven lang geleden Vitaal en vol geduld, geringd, gerand Gij bedondert Wodan met zijn donder Als de bliksem langs uw toppen scheert Geen dwaze berken duldt gij aan uw zij Uw schaduw doet hun schors verbleken Uw carrousel van blaren Wordt dronken van de wolken En al de vogels zingen vogel-vrij Ik weet dan zeker: gij beveiligt mij Willem Persoon Persoonlijk – Gedichten 1969-2014 , C. de Vries-Brouwers, Antwerpen/Rotterdam, 2014 ELFENBANKJES Elfenbankjes Als ik dit web niet snel ontleed als ik de nieuwste nesten kleurclichés niet tot op de draad ontrafel als ik van onder bruine blaren verweerde elfenbankjes rakel en warhoop wek uit grijs gebied als ik één ogenblik het ballingsoord betreed waar gister in de nesten zit gestoken in zwart-wit bestorven zwanger en in barensnood ver

F

FLOX Le sentier parfumé Het spoort naar boven. Afkalvend krijt in vege Flanken veelribberig gedreven. Verstomd geweten, Door afgrond uitgedaagd, waadt straks in verbeten Zee, schippert onbeholpen, zwijgt verlegen. Nu gaan wij op de klippen, al blijken wandelwegen En paden ons belegen. Flinters, scheuren, spleten In de klif. O geurige natuurschoot, grillig uitgesleten Door oud geweld mondend in zee, die werd tot zegen! Odeuren vervliegen uit floxen en biestarwegras, Karwij en engelwortel. Nagelkruid als balsem. Weigelia en spijklavendel. Veld vol matgeel vlas. Golven bikkelen me vuursteenbrokken. Alsem, Bitter aroom, paarse dovenetel. Op je beid monden Ruik ik anijs en muskus. Het zaad komt als gezonden. Frans Boenders Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift , nummer 106, Antwerpen, 2009 FLUITENKRUID Het fluitenkruid Dampt En laat de lucht Trillen. (Ik hoor hun klagend geween, Een wiegend liedje van Een cent). Een geboorte bezwangert De wind, Een heelal in het Wit. Ik hoor hun

G

GANZERIK De rechte ganzerik potentilla recta Komt winter, moeten we herdenken, als ’t zomerpaleis ligt in puin en ondersneeuwen jij en ik, herfstvrouw, hoe, goedmoedig onvervaard, de rechte ganzerik heerst in de tuin, door in zijn baard, zijn geld gespaard, eerst groen te lachen naar zijn aard, en zich uit te vieren in geschenken: honderd goudstukken bij dageraad, met ruime rente als ons de dag verlaat. Hubert van Herreweghen Een kortwoonst in de heuvels , Lannoo, Tielt, 2002 GENTIAAN Gentianen in september Toen ik gesloten schreef, Gedicht en met een teder slot, Verkleind tot het formaat Van mijn liggende hand, De zwijgende Naast de ijverig schrijvende, Las ik van D.H. Lawrence De Bavarian Gentians, Of zijn ontmoeting met de slang. Zo hield ik met de ene hand De andere, die, tastend over de Randen van de eerste, mij open Maakte en vervulde Met alles wat ik In het geheim en vurig Aan de stilte voerde. De duisternis op trappen En de ruiker voor Persephone – Niet el