B
BAARDMOS
Zomer
Ik schrijf, het is zo stil, de zomer
zo groen als onder water wanneer
je neerzinkt en de ogen opent
een halfblinde wereld van opaak licht,
een dichtgewoekerd oerwoud,
geen kreet, geen ruisen,
en nergens, nergens daarin
een schim van jou.
Welke kant zal ik opgaan, zal ik
de rivier opvaren en verloren gaan
in ziekten en ongedierte en hulpeloosheid?
Of zal ik omkeren, in de steden dwalen
en verloren gaan
in ziekten en ongedierte en hulpeloosheid?
Of zal ik hier wachten tot jij me vindt,
overgroeid door lianen en baardmos,
dichtgeregend, weggespoeld,
een handvol zwarte aarde
in de jungle.
Hans Warren
Nakijken, dromen, derven, Bert Bakker, Amsterdam 1992
BALSEMBOOM
Mirre
Langs heuvelruggen tussen tijm, theeroos, lavendel
uit bast van balsemboom wordt bitter vocht gegaard,
het sap vers van de schors door dieper borend kerven,
gedroogd ten boordsteen, voor vandaag bewaard.
Gery Helderenberg
Verzamelde gedichten, De Gulden Veder, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1978
BALSEMIEN
Najaar
Balsemien
Dit is het huis
de bel doet het niet
maar de deur is open
ik had u verwacht
een hese stem
iemand voelt zich bedreigd
te veel kleine poezen
en het venster
met glazen speelgoed
trap op de keuken
die in niets op een keuken lijkt
het grote huis om ons heen
is ondoordringbaar
verkruimelt om ons heen
tot verleden
op het terras een balsemien
boven de thee
de ogen kijken je aan
de hese stem
voelt zich
aan tafel
de thee de balsemien
te veel kleine poezen
en het grote huis
nu minder
bedreigd
Richter Roegholt
Spiegel van Sem, nummer 5, Amsterdam, 1967
BAMBOE
Purper bamboeriet
’k Wil worden purper bamboeriet.
Het onderste van deze spriet
snijdt men tot een schalmeitje,
het midden tot een fluitje
en ’t uiteind zal een schrijfstift zijn
daarmede ik schrijf: “Ik denke dijn!”
Bert Decorte
Nieuwe gedichten, Manteau, Brussel, 1946
&
BANYAN
Wij
De zoo wekte altijd die oude melancholie,
het schuifelend wachten voor kaarten,
mijn broertje, lentezwaluwen die lachten
om onze lollyhanden en ijsbaarden.
Blauw was de kleur van hemel en hemd.
Giraffen, zo hoog dat ze de zon raakten.
De taal die we spraken vol vrije klanken,
het geluk, pronkend als bloemenranken.
De dierenwereld bracht ons even samen.
Zonder weet waar we vandaan kwamen
droomden we met de dolfijnen mee,
Kereltjes uit een andere schoot, wij twee.
Waarheid toen werd heimelijk verzwegen,
jongetjes toen kenden geen grauwe regen.
En nu oud, met verdrietig hart, vlucht ik
ver weg om te vergeten, - maar hier
tranen de banyanbomen nog steeds zwart,
Vervliegen de vleermuizen tot perkament,
wolken van vluchtige vertelsel; over mij,
over een broer die ik nooit echt heb gekend.
Johan Clymans
Watermerk – 10 jaar Digther, Comsa!, Diksmuide, 2010
BAOBAB
BEGONIA
Begoniabloem –
afgevallen vóór haar tijd,
drijft zij nog één dag,
als een lotus op de Nijl,
in het kleine vogelbad.
Andrea Serverius
BERGBASTERDWEDERIK
Bergbasterdwederik
Hij is komen aanwaaien in onze tuin
en de enige niet-gekweekte plant
ik beschouwde hem eerst als onkruid
maar Judy kende hem bij name
Nu bloeit hij op drie plaatsjes tegelijk
met minuscule bloemetjes, rose
ik heb hem opgezocht in de Flora
en geleerd dat hij vrij algemeen is
Hij geniet nu speciale bescherming
in siertuinen wordt hij uitgetrokken
maar wij zijn milieuvriendelijk
en hij heeft een mooie naam
Zo verzorgen wij weer een kind
sinds ons poesje zo jammerlijk stierf
God is gul met zijn scheppingen
en wij zijn blij dat hij bij ons is
Kees Winkler
Verzamelde gedichten, Thomas Rap, Amsterdam, 1997
BERK
Betula pendula
Ruwe berk, gebarsten bast maar sterke sapstroom.
(Een zilveren fluitje, vliesvleugelig en solitair,
voedt zich met de nectar
en bestuift in ruil)
De stad schuift aan op lange latten.
Berk ruimt baan voor ratelende
kranen, Poolse klanken onder helmen,
knarsende vrachtwagens vol vloeibaar gas.
De barsten in de bast zijn niet van gisteren
maar vallen almaar meer op.
Wat is de ruil als niet meer wordt bestoven?
Hilde Keteleer
Weg van de tijd, Uitgeverij P, Leuven, 2019
Betula pendula
Een grondbezitter is de berk,
een wijze, zilvergrijze man.
Hij is de eigenaar van het bos,
van alle boreale bossen in de noordenwind.
Hij buit de grond niet uit,
Zijn buren in het bos beminnen hem.
Het zand is hem in stilte verkleefd.
De berk is de meester van de sneeuw,
zichtbaar en onzichtbaar.
Zelfs in een puinhoop stelt hij zijn hoop,
al zint het puin op wraak.
Vredesrunen staan er in zijn bast gegrift,
zij vermenigvuldigen hun aanspraak
Op diepere gronden.
Francis De Preter
Natuurgetrouw geschilderd en geschreven, Orion, Brugge, 1974
BEUK
Beuken
Winter maakt zichtbaar. Er zit
niets anders het licht
in de weg dan een boom
die beloften bewaart
en elk woord dat je voelt
in je botten. Zo bestaat
het geraamte van looizuur
en lucht dat bedaart en
behoedzaam ontworteld zich
richt naar de wind en daarna
het dal en het dorp in
zijn richting niet vindt.
BITTERKRUID
Het bitterkruid
Want gij wéét niet hoe trots ik ben
en hoe oud beminde oeroud
onder de helm van goud
duidelijk merkbaar het teken.
Die dacht mij open te breken
hij werd door de pest gesmeten
en stierf op een bed van brem
eer de sikkel was aangegroeid.
Beminde het bitterkruid bloeit
de zaden worden gelezen
door wie zegende zevenvoud
haar helder en oeroud weten.
Aleidis Dierick
Blauwdruk voor een vriendschap, De Bladen voor de Poëzie, Beveren, 1981
BITTERLING
BITTERWORTEL
BLAUWE AGAVE
Blauwe agave
Struikelend over varkens. De enkels zwikkend in het zwarte
Stof naderde hij het dorp, waar de vuren nog smeulden en
BLAUWEREGEN
Tuin van mijn dromen
BLOEDBOOM
Wonden
Nu bij het kanaal in de wind
bij zonnig weer als wolken jagen
zoals meeuwen over water
soeverein, los van het land
vlagen de schaduwen langs
de rij kastanjes en zie je
daartussen bloedbomen
oplichten, glanzend
als het mooi is.
De droge schors loopt vol.
Bloedkorsten verzwarten
geven ruimte aan rot
Remco Ekkers
Zomer
Ik schrijf, het is zo stil, de zomer
zo groen als onder water wanneer
je neerzinkt en de ogen opent
een halfblinde wereld van opaak licht,
een dichtgewoekerd oerwoud,
geen kreet, geen ruisen,
en nergens, nergens daarin
een schim van jou.
Welke kant zal ik opgaan, zal ik
de rivier opvaren en verloren gaan
in ziekten en ongedierte en hulpeloosheid?
Of zal ik omkeren, in de steden dwalen
en verloren gaan
in ziekten en ongedierte en hulpeloosheid?
Of zal ik hier wachten tot jij me vindt,
overgroeid door lianen en baardmos,
dichtgeregend, weggespoeld,
een handvol zwarte aarde
in de jungle.
Hans Warren
Nakijken, dromen, derven, Bert Bakker, Amsterdam 1992
BALSEMBOOM
Mirre
Langs heuvelruggen tussen tijm, theeroos, lavendel
uit bast van balsemboom wordt bitter vocht gegaard,
het sap vers van de schors door dieper borend kerven,
gedroogd ten boordsteen, voor vandaag bewaard.
Gery Helderenberg
Verzamelde gedichten, De Gulden Veder, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1978
BALSEMIEN
Najaar
Najaar. De kille tuin. Zoals door niet meer dan
de warmte van een hand het doosje van
de rijpe balsemien uiteenspat tot een vuurwerk
van zaadjes, wil ik dat ik doodgaan kan.
Anton Korteweg
Ouderen zijn het gelukkigst, Meulenhoff, Amsterdam, 2015
&
Balsemien
Dit is het huis
de bel doet het niet
maar de deur is open
ik had u verwacht
een hese stem
iemand voelt zich bedreigd
te veel kleine poezen
en het venster
met glazen speelgoed
trap op de keuken
die in niets op een keuken lijkt
het grote huis om ons heen
is ondoordringbaar
verkruimelt om ons heen
tot verleden
op het terras een balsemien
boven de thee
de ogen kijken je aan
de hese stem
voelt zich
aan tafel
de thee de balsemien
te veel kleine poezen
en het grote huis
nu minder
bedreigd
Richter Roegholt
Spiegel van Sem, nummer 5, Amsterdam, 1967
BAMBOE
Purper bamboeriet
’k Wil worden purper bamboeriet.
Het onderste van deze spriet
snijdt men tot een schalmeitje,
het midden tot een fluitje
en ’t uiteind zal een schrijfstift zijn
daarmede ik schrijf: “Ik denke dijn!”
Bert Decorte
Nieuwe gedichten, Manteau, Brussel, 1946
&
Ter herinnering aan Agni - De as van de herinnering
XVIII
Eer en geweten in eigen hand genomen,
riten en regels onderhoudend,
de aarde steeds opnieuw kerend,
plantte je je er dieper en dieper in.
Zoals een vlaggestok van groene bamboe
wortel schiet en plotseling ontspruit,
ben jij van bamboe tot bamboestoel gegroeid.
Toen woei er een lap, nu zijn er groene bamboebladeren,
alle waaiend in de wind,
gelukkig en blind.
Jit Narain
Een mensenkind in niemandsland, In de Knipscheer, Haarlem, 2021
BANANENBLOEM
De bananenbloem:
als omgekeerde kelk,
een koninginnenkroon.
Clara Haesaert
Voorbij de laatste vijver, Paradox Pers, Antwerpen, 1995
BANYAN
Wij
De zoo wekte altijd die oude melancholie,
het schuifelend wachten voor kaarten,
mijn broertje, lentezwaluwen die lachten
om onze lollyhanden en ijsbaarden.
Blauw was de kleur van hemel en hemd.
Giraffen, zo hoog dat ze de zon raakten.
De taal die we spraken vol vrije klanken,
het geluk, pronkend als bloemenranken.
De dierenwereld bracht ons even samen.
Zonder weet waar we vandaan kwamen
droomden we met de dolfijnen mee,
Kereltjes uit een andere schoot, wij twee.
Waarheid toen werd heimelijk verzwegen,
jongetjes toen kenden geen grauwe regen.
En nu oud, met verdrietig hart, vlucht ik
ver weg om te vergeten, - maar hier
tranen de banyanbomen nog steeds zwart,
Vervliegen de vleermuizen tot perkament,
wolken van vluchtige vertelsel; over mij,
over een broer die ik nooit echt heb gekend.
Johan Clymans
Watermerk – 10 jaar Digther, Comsa!, Diksmuide, 2010
BAOBAB
Madagaskar II
de baobab weerstaat woestijn
slaat schaarse regen op binnen zijn omtrek
ooit wierp een god hem als straf op de aarde
op zijn kop gevallen, staken zijn wortels in de lucht
als gekrompen takken waaraan bladeren groeien
met spitse vingers, vruchten in de vorm van oude broden
vleermuizen bestuiven meeldraden
je proeft wat je plukt, taai slijm, zure pulp
de zoete amandelsmaak van zaden
uit bast win je vezels voor een mand
om een oogst aan indrukken te vergaren
Wim Vandeleene
Veelvoud van een eiland, Obsidiaan, Uitgeverij P, Leuven, 2024
BEGONIA
Begoniabloem –
afgevallen vóór haar tijd,
drijft zij nog één dag,
als een lotus op de Nijl,
in het kleine vogelbad.
Andrea Serverius
Vuursteen, 21ste jaargang, nummer 3, Wilrijk, 2001
BELLADONNA
Belladonna
Zwart in mij, zieltogend landschap,
staat de lipbloem der begeerte,
tegen zwartberookte bergen,
vechtend tussen dood en bitterheid –
o hartstochtelijk verkoolde bomen!
Splijt niet open tot een lach,
schors, mijn eenzaamheid.
Barst niet uit beschaamde wortels,
toon haar niet het malse merg
verborgen gistend, in uw bast.
O belladonna, giftige woekerbloem,
op zwarte akkers van mijn zaad,
verwoestend kruid op blote bodem,
bittere beker tegen wilde koorts –
o liefste met het doodshoofd achter je tong!
Francis De Preter
Brandhout voor een zomer, Die Poorte, Antwerpen, 1966
BERENKLAUW
BELLADONNA
Belladonna
Zwart in mij, zieltogend landschap,
staat de lipbloem der begeerte,
tegen zwartberookte bergen,
vechtend tussen dood en bitterheid –
o hartstochtelijk verkoolde bomen!
Splijt niet open tot een lach,
schors, mijn eenzaamheid.
Barst niet uit beschaamde wortels,
toon haar niet het malse merg
verborgen gistend, in uw bast.
O belladonna, giftige woekerbloem,
op zwarte akkers van mijn zaad,
verwoestend kruid op blote bodem,
bittere beker tegen wilde koorts –
o liefste met het doodshoofd achter je tong!
Francis De Preter
Brandhout voor een zomer, Die Poorte, Antwerpen, 1966
BERENKLAUW
tuin in september
bramen glanzen vogels toe
berenklauw verdort
Bert Bevers
Hortus conclusus, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 1999
BERGAMOT
AQUA NUNTIA
Of: Een andere Aankondiging van de Heer
Saluutschot uit mijn mond van goud!
Mijn woord marcheert in geurgewaden
een onbedwingbare parade.
Neroli, rozen, sandelhout
Zalig wie dit woord verstonden!
Sinaasappel, bergamot
Sinaasappel, bergamot
Er is maar één gebod: genot,
en hebzucht is geen zonde.
Lavendel, amber, munt, jasmijn
Mijn krijgsgevangen aromaten
zullen jou je rust niet laten.
Oranjebloesem, mandarijn
Isolde, Elda, gezellin:
Amaranta, Barbarella,
Cinerina, Donatella:
mijn kussen kronen je Pausin.
Van middernacht tot aan de noen
heet jij zoals ik je noem.
Breng mij mijn zalige doem.
Muskus, benzoë, citroen
Simon Mulder
Vertalersweelde - D'Annunzio, duistere ster van de belle époque, Spleen, Amsterdam, 2025
BERGAMOTBOOM
Sidi Slimane, avant la lettre
Zeg niet dat het genoeg is
om onder het wassen
mijn naam drie keer te roepen
richting Gibraltar.
Een brief - schrijf een brief,
je kunt het.
Raap een papiertje op van de gele grond
onder de bergamotboom,
schrijf met een ballpoint van de
Banca de los Santos y Jesus
dat je het allemaal nog niet weet.
Je kunt een enveloppe vouwen van begeerte
- maar niet je tong snijden aan de scherpe randjes -
plak een zegel van eucalyptushars.
Wacht op een vleugje passaatwind.
Gooi vervolgens de brief
met een opwaartse beweging de lucht in.
Liesbeth V. Hafenrichter
Nog een lente - 30 dichters gekozen door Meander, P, Leuven, 2010
BERGBASTERDWEDERIK
Bergbasterdwederik
Hij is komen aanwaaien in onze tuin
en de enige niet-gekweekte plant
ik beschouwde hem eerst als onkruid
maar Judy kende hem bij name
Nu bloeit hij op drie plaatsjes tegelijk
met minuscule bloemetjes, rose
ik heb hem opgezocht in de Flora
en geleerd dat hij vrij algemeen is
Hij geniet nu speciale bescherming
in siertuinen wordt hij uitgetrokken
maar wij zijn milieuvriendelijk
en hij heeft een mooie naam
Zo verzorgen wij weer een kind
sinds ons poesje zo jammerlijk stierf
God is gul met zijn scheppingen
en wij zijn blij dat hij bij ons is
Kees Winkler
Verzamelde gedichten, Thomas Rap, Amsterdam, 1997
BERK
Betula pendula
Ruwe berk, gebarsten bast maar sterke sapstroom.
(Een zilveren fluitje, vliesvleugelig en solitair,
voedt zich met de nectar
en bestuift in ruil)
De stad schuift aan op lange latten.
Berk ruimt baan voor ratelende
kranen, Poolse klanken onder helmen,
knarsende vrachtwagens vol vloeibaar gas.
De barsten in de bast zijn niet van gisteren
maar vallen almaar meer op.
Wat is de ruil als niet meer wordt bestoven?
Hilde Keteleer
Weg van de tijd, Uitgeverij P, Leuven, 2019
&
de eik zoent de berk
tangopassen naar de zon
ijken ’s nachts de maan
Hans Mellendijk
Hoe bomen elkaar omhelzen, Personare, Doesburg, 2017
&
de eik zoent de berk
tangopassen naar de zon
ijken ’s nachts de maan
Hans Mellendijk
Hoe bomen elkaar omhelzen, Personare, Doesburg, 2017
&
Betula pendula
Een grondbezitter is de berk,
een wijze, zilvergrijze man.
Hij is de eigenaar van het bos,
van alle boreale bossen in de noordenwind.
Hij buit de grond niet uit,
Zijn buren in het bos beminnen hem.
Het zand is hem in stilte verkleefd.
De berk is de meester van de sneeuw,
zichtbaar en onzichtbaar.
Zelfs in een puinhoop stelt hij zijn hoop,
al zint het puin op wraak.
Vredesrunen staan er in zijn bast gegrift,
zij vermenigvuldigen hun aanspraak
Op diepere gronden.
Francis De Preter
Natuurgetrouw geschilderd en geschreven, Orion, Brugge, 1974
BEUK
Beuken
Winter maakt zichtbaar. Er zit
niets anders het licht
in de weg dan een boom
die beloften bewaart
en elk woord dat je voelt
in je botten. Zo bestaat
het geraamte van looizuur
en lucht dat bedaart en
behoedzaam ontworteld zich
richt naar de wind en daarna
het dal en het dorp in
zijn richting niet vindt.
Erik Heyman
Dagmaat, Arbeiderspers, Amsterdam, 1994
BEVERBOOM (PRODIX MAGNOLIA)
BEVERBOOM (PRODIX MAGNOLIA)
Magnolia pascalis
Nu hurk ik stellig in het gras
magnolia pascalis
en voel de aarde aan de tand
talis qualis
In sparregras en heesterkruid
tel ik recettes na
aan honiggoud en zonnebuit
prodix magnolia
De zomer zit op tien procent
dat tienmaal decimaal is,
hoe breek ik onder dat ferment
dat mij van haar noch pluimen kent,
magnolia pascalis.
Fernand Handtpoorter
Potas en slijm, De Bladen voor de Poëzie , Lier, 1962
BITTERKRUID
Het bitterkruid
Want gij wéét niet hoe trots ik ben
en hoe oud beminde oeroud
onder de helm van goud
duidelijk merkbaar het teken.
Die dacht mij open te breken
hij werd door de pest gesmeten
en stierf op een bed van brem
eer de sikkel was aangegroeid.
Beminde het bitterkruid bloeit
de zaden worden gelezen
door wie zegende zevenvoud
haar helder en oeroud weten.
Aleidis Dierick
Blauwdruk voor een vriendschap, De Bladen voor de Poëzie, Beveren, 1981
BITTERLING
Zomer in de gavers
Je wandelt fietst kajakt of zeilt.
Je kijkt naar vogels bomen bloemen.
Je hoort geknor gekir gekras
en verre kinderstemmen zoemen
zoals de hommel op de roze
rietorchis naast je in het gras.
Je wilt als Adam het al benoemen.
Je zit en ziet hoe riet en bladeren
een grasperkje en een streepje vijver
met een wit zeil erop omlijsten.
Je knipoogt naar de zon en zwarte
brokken als doodstille aalscholvers
in slagorde verdrinken. Dan wordt
het water weer zilver de lucht lazuur.
Was dat daarnet geen witwangstern?
Hij zit als woordklank in je hoofd
met fuut en kluut en waterral
met balsemien moerasrolklaver
poelruiter dodaars bitterling
en bij giftig sint-jacobskruiskruid
een bunzing die een muis bespringt.
De middagzon legt twee obolen
op jouw ogen maar je ziet
nog net Charon die zijn bootje
vastmeert in het friet en je hoort
zijn grafstem grommen: ik zweer
dat ik voor het weer omslaat dit
paradijs niet meer verlaat; tot dan
kan nergens nog gestorven worden.
Willy Spillebeen
Laaglandse Poëzie - Dichters uit West-Vlaanderen, Ballustrada 27/1-2, Terneuzen, 2013
BITTERPLANT
BITTERPLANT
Zwijgplicht
Zit het beest, een dwingeland,
hen in het bloed? Pijnlijk
lopen, vliezen op voet.
Tegenwind. De mond gepropt
met stekels uit de zuiderkant
van de bitterplant. Gebit snoerdicht
op slot gekrast: geen kaken te breken;
geen woordgeheimen prijs te geven.
Gwy Mandelinck
Lotgenoten, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2014
BITTERWORTEL
Rondeau vir die Botaniese Tuin
Noordwes-Universiteit, Potchefstroom
Die tuin droom wildernis, wil bloumagriet
op suiderberge; wil gaan soetgousblom
op bontebok se wei. Ou vaarlandswilg ver-
lang rivier, stoot vrug vir bonthoutkappers.
Die tuin wil die véld in gaan karee en doringboom.
Versteekte sensors ("goggas" om die vywer)
wil snap wat paddas langs riviére paar-
manel laat dra, padda poësie laat praat.
Die tuin dink wildernis.
Bitterwortel, kalahari-ver vandaan,
staan tuitkelk - soos bergtee, sandui, vlei-aanbblom.
'n Lánd biome word van hier bedroom.
Die wetenskap wil weet wat sonder hom
gebeur. Vers beklink wat haar te buite
gaan.
Tuin wil wildernis.
Bernard Odendaal
Nootvat. Kwashaal. Stapel., Tafelberg, Kaapstad, 2021
BLAUWE AGAVE
Blauwe agave
Struikelend over varkens. De enkels zwikkend in het zwarte
Stof naderde hij het dorp, waar de vuren nog smeulden en
Die nacht niet zouden doven. Vrouwen verdwenen in hun schaduw
Paarden hinnikten. De mannen weken somber uiteen. Alleen jij
Wist wie ik was, toen ik kwam. Woordloos vulde je glas na glas
Je zong voor me tot ik sliep en van je droomde, struikelend
Hans van de Waarsenburg
Avond val, Meulenhoff, Amsterdam, 1993
BLAUWE DRUIFJES
Paarden hinnikten. De mannen weken somber uiteen. Alleen jij
Wist wie ik was, toen ik kwam. Woordloos vulde je glas na glas
Je zong voor me tot ik sliep en van je droomde, struikelend
Hans van de Waarsenburg
Avond val, Meulenhoff, Amsterdam, 1993
BLAUWE DRUIFJES
Blauwe druifjes
En toen stond jij voor
mijn deur met een bos
blauwe druifjes.
Je droeg een wit hemdje en
een gouden tiara: je was op
je mooist en nog mooier.
Toch had je niets van
de bacchante die mijn
wapenkamer uitgeput had
zoals ik verre was van de sater
met de mythische speer. Ik woonde
in een huis, als een vader.
Het kind van de rekening maakte
een tekening. Het tekende een
huis voor jou, aan de tafel.
Rogier de Jong
Memento, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2021
BLAUWEREGEN
Tuin van mijn dromen
Daar windt zich blauweregen bruut en gespierd als een engel
omhoog naar het balkon waar ik te ijlen sta,
nog niet bekomen van de droom
geknotte wilg te zijn die moederlijk haar holle hals
te bieden weet aan al wat uitzaai zoekend meelift in het achteronder
van distelvink en kneu -
grasduinend halmschuieren hun lust en hun leven, waarna ze altijd
even zitten gaan. In mijn inborst
hoogzomert de tuin bij ochtendschemerrood, plechtig
roerloos - maar ze kriebelen vreselijk, die ontkiemende
uitgekakte zaden! - moment van de ziel, zwevend te zien als wasem
boven het gazon. Voorbij de zang
komt stilte tot bloei, geladen met verstorven klank, rijpende bersting.
Zijn ze daar eindelijk, de bijen van het onzichtbare, om honing
te puren uit mijn houtig karkas?
Het nog de zwaartekracht trotserend gebinte
kreunt in overgave elke keer als ik, de hals vol zwijgende vogels,
een allerlaatste lokroep zwellen laat.
Anneke Brassinga
Verborgen tuinen, De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2019
BLAUWGRAS
BLAUWGRAS
blauwgras wildert groene weiden
tussen houtwal en rivier
hoogte nodigt er tot blijven
veilig heem bij ijlend tij
bouw hemelstenen welf en schouw
en leen aan verten venster
schuil onder schaduwblauw
Pien Storm van Leeuwen
Poosplaatsen, Uitgeverij Ceedata, Chaam, 2021
BLOEDBOOM
Wonden
Nu bij het kanaal in de wind
bij zonnig weer als wolken jagen
zoals meeuwen over water
soeverein, los van het land
vlagen de schaduwen langs
de rij kastanjes en zie je
daartussen bloedbomen
oplichten, glanzend
als het mooi is.
De droge schors loopt vol.
Bloedkorsten verzwarten
geven ruimte aan rot
Remco Ekkers
Kastanjegedichten, Uitgeverij Passage, Groningen, 2006
BOEKWEIT
De zomerdag
De dag is jong. De kleine vogels
zijn nog niet ontwaakt. Uit wazige,
verre nevels rijst, over de donkere bossen,
het dagelijks wonder van de zomerzon.
[….]
Kijk maar, hoe traag de nevel stijgt,
zich loshaakt uit het korenveld, verijlt,
en in het licht verdwijnt. O gouden zon!
De rogge blinkt. De tarwe rijpt.
De haverbellen aan hun smalle, groene halm
tintelen los en blij. De gerst zo recht,
zo zelfverzekerd, altijd hoogste in de rij.
Boekweit, koolzaad, klaverland: zo nederig
in percelen naast elkaar geplant; goudgeel
een golvende lappendeken.
Aleidis Dierick
Aalst in Vlaanderen, Genootschap voor Aalsterse geschiedenis, Aalst, 2020
BOLDERIK
Liedje uit het veld
Weegbree, waterscheerling, wederik,
betekenis die zong in labialen en
petalen, ligt ingebot in letterstof.
Ooit mondgemeen, nu mondrest van
de alchemist, de vedelaar, de dolende
vagant in cruydeboeck en foliant.
Taalveld! Ik wil mij met u verstaan.
Raai, silene, boekweit, bolderik,
lupine, bevernel en lentegentiaan,
melde, ringelwikke, kaardebol en
knolsteenbreek. De weg daalt in tot
vegetatie. Het zomert op de taalgrens.
Frans Deschoemaeker
Beginselen van archeologie, Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 1990
BOOMVAREN
BOEKWEIT
De zomerdag
De dag is jong. De kleine vogels
zijn nog niet ontwaakt. Uit wazige,
verre nevels rijst, over de donkere bossen,
het dagelijks wonder van de zomerzon.
[….]
Kijk maar, hoe traag de nevel stijgt,
zich loshaakt uit het korenveld, verijlt,
en in het licht verdwijnt. O gouden zon!
De rogge blinkt. De tarwe rijpt.
De haverbellen aan hun smalle, groene halm
tintelen los en blij. De gerst zo recht,
zo zelfverzekerd, altijd hoogste in de rij.
Boekweit, koolzaad, klaverland: zo nederig
in percelen naast elkaar geplant; goudgeel
een golvende lappendeken.
Aleidis Dierick
Aalst in Vlaanderen, Genootschap voor Aalsterse geschiedenis, Aalst, 2020
BOLDERIK
Liedje uit het veld
Weegbree, waterscheerling, wederik,
betekenis die zong in labialen en
petalen, ligt ingebot in letterstof.
Ooit mondgemeen, nu mondrest van
de alchemist, de vedelaar, de dolende
vagant in cruydeboeck en foliant.
Taalveld! Ik wil mij met u verstaan.
Raai, silene, boekweit, bolderik,
lupine, bevernel en lentegentiaan,
melde, ringelwikke, kaardebol en
knolsteenbreek. De weg daalt in tot
vegetatie. Het zomert op de taalgrens.
Frans Deschoemaeker
Beginselen van archeologie, Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 1990
BOOMVAREN
Delicaat
Wairarapa, Donnelly Flat
Zoals een spin haar draad kleeft aan de lucht
en aan een rilling in de dampkring hangt
zo zag ik daar aanvankelijk mezelf, hing er zo'n beetje bij.
Door mijn cellen spoorde dat uur. een niet-bestaan
of slechts ten dele, mijn brein ontregeld door verwarring
te veel te horen of juist niets, ik had nauwelijks oog
voor waar ik was. Tot ik ze zag. Toen veranderde het pad
en werd ik door het hoge blad van boomvarens beschut.
Hoe het zich uit het bos tevoorschijn tilt, de wijde veren viert
het onzekere wiegt, fragiel tot in de ijle vezels.
Marijke Hanegraaf
Iets dat ons kan. De Nieuw-Zeelandgedichten, bundel in voorbereiding
BOSANEMOON
Bosanemoon
Anima anemone, witte sterren in het bos
uit de tijd gevallen
in de laatste sneeuw, bijna eeuwigheid.
We herkennen hoe we verwekt zijn, ziel in zaad
dat verder wilde, verder dan nu.
Hilde Keteleer
Weg van de tijd, Uitgeverij P, Leuven, 2019
wulps vertakt zij haar wortelstokken
onder klokkend witte rokken
ver van bleu bloeit de bosanemoon
buiten zinnen, buiten gewoon
Helma Snelooper
Opvouwbaar bos, www.opvouwbaarbos.nl, Hummelo, 2019
BOSBES
Ode aan de bosbesstruiken
Ze groeien op in wijde donkergroene struiken
dicht bij elkaar, innig verstrengeld zo-
dat je wel tellen kunt totdat je gehaald wordt.
De groenheid van de bosbesstruiken
is onbeschrijflijk. Groener dan deuren
van jeugd staan ze laag bij de grond.
Engelen bewaken de bosbesstruiken
in juni, de brandmaand, de maand die zijn mand
als een mond met vlammende zon beschildert.
Wat zucht en knarst dan het bos van zoetheid
en ongehoorde aroma’s: wacht toch
tot je hand ervan druipt, proef als laatste
prikkel het dronkenmakende zaad,
de vleugelslag linea recta van de tingeltangel
de duistere stoffige zomerse bossen van de taal uit!
Habakuk II De Balker
Uier van t oosten, De Bezige Bij, Amsterdam, 1970
&
De bomen zwijgen
De bomen zwijgen,
en de weiden hebben
een wit kleed aangetrokken.
Nu begint het omzien
in verwondering.
De eerste beelden
van een lang verhaal
eisen vol ongeduld
een plaats op
in de geruisloze morgen.
Dit wordt een averechtse
verkenning op een weg
die immer smaller wordt
en naar bosbessen ruikt.
Romain John van de Maele
Herfsttij van het verlangen, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2015
BOSVIOOLTJE
De dilettant
Een doodskop grijnst op roze fluweel
in ’t heiligdom van je kamer.
Er geuren bosviooltjes in een schaal. Voornamer
gezelschap is zelden mijn deel.
Diep kijken de oogkassen en dwaas
naar je mooi gestileerde gebaren.
’t Gebit kan zijn lach niet bedaren.
En jij maar praten over Picasso en Servaes.
Je bent een malle jongen. Ik lust
je tronie: in mijn krocht laat ik ze pronken.
Geen haast? In fantasieën verzonken
heb ik je van de wereld weggesust.
Gery Helderenberg
Verzamelde gedichten, De Gulden Veder, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1978
BOTERBLOEM (SCHERPE)
Rammegors
Samenpakkende wolken
een wat magere zon
overvloedig fluitenkruid
steeds voortwoekerende
ranunculus acer daartussen
de rode gloed van zuring
en nog maar even
dan kleurt het rood
van de klaproos –
alles lijkt er te zijn.
Jos Steegstra
Tussengebied, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2005
BOUGAINVILLEA
Toch was het een mooi tuintje voor het Noorden,
lichtgeel gekalkte muren weerden wind.
Zodra de winter week sleepten we grote kuipen
met oleanders, bougainvillea’s
en roosmarijn aan. Als de lente straalde
ontlook een paradijs en in de volle zomer
geurde het als het Zuiden, vluchtig, heet.
Bij het fonteintje stond een verguld bronsje,
een cupido als middelpunt; zuiltjes met rozen
droegen bustes van keizers, door een dwaas
uit de achttiende eeuw in bruin marmer gekleed,
en alles sprak van bekoorlijk verval.
Natuurlijk, het was simpeler geweest
in ’t Zuiden te gaan wonen, maar geen eucalyptus
geurde bedwelmender dan de onze, en de zon
boven het lichtgekalkte muurtje stond
in het diepste blauw van peilloze illusies.
Hans Warren
Nakijken, dromen, derven, Bert Bakker, Amsterdam, 1992
BRAAMSTRUIK
Braamstruik in de sneeuw
Het hart van de stilte klopt
muisstil. De paarsrode aders staan
gespannen, de laten de aarde
niet los.
Zoveel spartelende onmacht,
geronnen tijd, nooit was de verwachting zo dodelijk
laag gespannen.
Het nest van de distelvink,
een uitgebrand oog.
Diep daaronder slaapt de egel,
pisros in zijn domheid.
De wind verwondt zich en ijlt
jankend weg.
En onverstoorbaar in zijn stank
slaapt de egel
die eens onze broer was, maar veel taaier:
hij kon overleven zoals hij was
terwijl wij moesten vluchten
in de lafheid, de arglist, het verraad
en mens moesten worden
naar het beeld en de gelijkenis van God.
Robin Hannelore
De zandfluiter, Heibrand, Vosselaar, 2002
BRANDNETEL
BOSANEMOON
Bosanemoon
Anima anemone, witte sterren in het bos
uit de tijd gevallen
in de laatste sneeuw, bijna eeuwigheid.
We herkennen hoe we verwekt zijn, ziel in zaad
dat verder wilde, verder dan nu.
Hilde Keteleer
Weg van de tijd, Uitgeverij P, Leuven, 2019
&
wulps vertakt zij haar wortelstokken
onder klokkend witte rokken
ver van bleu bloeit de bosanemoon
buiten zinnen, buiten gewoon
Helma Snelooper
Opvouwbaar bos, www.opvouwbaarbos.nl, Hummelo, 2019
BOSBES
Ode aan de bosbesstruiken
Ze groeien op in wijde donkergroene struiken
dicht bij elkaar, innig verstrengeld zo-
dat je wel tellen kunt totdat je gehaald wordt.
De groenheid van de bosbesstruiken
is onbeschrijflijk. Groener dan deuren
van jeugd staan ze laag bij de grond.
Engelen bewaken de bosbesstruiken
in juni, de brandmaand, de maand die zijn mand
als een mond met vlammende zon beschildert.
Wat zucht en knarst dan het bos van zoetheid
en ongehoorde aroma’s: wacht toch
tot je hand ervan druipt, proef als laatste
prikkel het dronkenmakende zaad,
de vleugelslag linea recta van de tingeltangel
de duistere stoffige zomerse bossen van de taal uit!
Habakuk II De Balker
Uier van t oosten, De Bezige Bij, Amsterdam, 1970
&
De bomen zwijgen
De bomen zwijgen,
en de weiden hebben
een wit kleed aangetrokken.
Nu begint het omzien
in verwondering.
De eerste beelden
van een lang verhaal
eisen vol ongeduld
een plaats op
in de geruisloze morgen.
Dit wordt een averechtse
verkenning op een weg
die immer smaller wordt
en naar bosbessen ruikt.
Romain John van de Maele
Herfsttij van het verlangen, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2015
BOSVIOOLTJE
De dilettant
Een doodskop grijnst op roze fluweel
in ’t heiligdom van je kamer.
Er geuren bosviooltjes in een schaal. Voornamer
gezelschap is zelden mijn deel.
Diep kijken de oogkassen en dwaas
naar je mooi gestileerde gebaren.
’t Gebit kan zijn lach niet bedaren.
En jij maar praten over Picasso en Servaes.
Je bent een malle jongen. Ik lust
je tronie: in mijn krocht laat ik ze pronken.
Geen haast? In fantasieën verzonken
heb ik je van de wereld weggesust.
Gery Helderenberg
Verzamelde gedichten, De Gulden Veder, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1978
BOTERBLOEM (SCHERPE)
Rammegors
Samenpakkende wolken
een wat magere zon
overvloedig fluitenkruid
steeds voortwoekerende
ranunculus acer daartussen
de rode gloed van zuring
en nog maar even
dan kleurt het rood
van de klaproos –
alles lijkt er te zijn.
Jos Steegstra
Tussengebied, Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2005
BOUGAINVILLEA
Toch was het een mooi tuintje voor het Noorden,
lichtgeel gekalkte muren weerden wind.
Zodra de winter week sleepten we grote kuipen
met oleanders, bougainvillea’s
en roosmarijn aan. Als de lente straalde
ontlook een paradijs en in de volle zomer
geurde het als het Zuiden, vluchtig, heet.
Bij het fonteintje stond een verguld bronsje,
een cupido als middelpunt; zuiltjes met rozen
droegen bustes van keizers, door een dwaas
uit de achttiende eeuw in bruin marmer gekleed,
en alles sprak van bekoorlijk verval.
Natuurlijk, het was simpeler geweest
in ’t Zuiden te gaan wonen, maar geen eucalyptus
geurde bedwelmender dan de onze, en de zon
boven het lichtgekalkte muurtje stond
in het diepste blauw van peilloze illusies.
Hans Warren
Nakijken, dromen, derven, Bert Bakker, Amsterdam, 1992
BRAAMSTRUIK
Braamstruik in de sneeuw
Het hart van de stilte klopt
muisstil. De paarsrode aders staan
gespannen, de laten de aarde
niet los.
Zoveel spartelende onmacht,
geronnen tijd, nooit was de verwachting zo dodelijk
laag gespannen.
Het nest van de distelvink,
een uitgebrand oog.
Diep daaronder slaapt de egel,
pisros in zijn domheid.
De wind verwondt zich en ijlt
jankend weg.
En onverstoorbaar in zijn stank
slaapt de egel
die eens onze broer was, maar veel taaier:
hij kon overleven zoals hij was
terwijl wij moesten vluchten
in de lafheid, de arglist, het verraad
en mens moesten worden
naar het beeld en de gelijkenis van God.
Robin Hannelore
De zandfluiter, Heibrand, Vosselaar, 2002
BRANDNETEL
Blauwdruk voor een vriendschap XII
De zomer zou goed zijn voor ons
het hooiland tot rust gekomen
de paden wit opgenomen
in een landschap van hevig brons.
Donker de tuin langs de beken
brandnetel smaragdgroen nest
de blauwdruk wordt uitgetekend
het grensgebied vastgelegd.
In de hitte de zinkwitte zetels
de ramen breed open op gras
het hart heeft zijn kans berekend
bezwerend uw namen gezegd.
Aleidis Dierick
Blauwdruk voor een vriendschap, De Bladen voor de Poëzie, Orion, Beveren, 1981
BRAVE HENDRIK
Vuurdoorn me
Wikkeme?
Kamilleme... BraveHendrikme maar.
Vioolme, heliotroopme.
Boekweitme, maagdenpalmme.
Lisme, krokusme,.. zonnedauwme, klitme...
- Judaspenningme, guichelheilme, lookzonderlookme -
Bolderikme. Vijfvingerkruidme,
aspergeme, engelwortelme, adderwortelme!
Gladdewitbolme... oh, zompzeggeme... hondsdrafme.
Wilde Bertramme! Beukme ja beukme!
Distelme. Brandnetelme!
Vuurdoorn me!
Grasme
Dovenetelme.
Zeggeme: salviame
Annemarie Estor
Vuurdoorn me, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2010
BREM
Wilde brem
Ons licht: Uw water.
Lucht om ons heen houdt prachtig
Uw stengel staande.
In Uw aangezicht golvend,
ademend sta ik Uw zon.
Lloyd Haft
Brandende lisdodden, Querido, Amsterdam, 1984
&
Bremstruikzaden
Ze lagen op een kale bontjas op het mos.
De knopen waren afgerukt of bijna los.
Met zachte ploffen sprongen zaden open,
met ronde tonen riep een koekoek in het veld.
Fijn als een krekelvleugel was haar stem,
de palmen van twee kleine handen biddend
voor een schrijn was haar verscholen plekje.
Een fitis vlinderde door uitgebloeide brem,
een spinnetje gleed uit een bladerluik
tot op het donshaar van haar onderbuik
toen eeuwigheid geboren werd uit tijd
en zweet uitgroeide tot volmaakte parels strijd.
En wat nooit meer vergeten worden zou,
trok zich tot slot terug in schittering van dauw.
Wilde brem
Ons licht: Uw water.
Lucht om ons heen houdt prachtig
Uw stengel staande.
In Uw aangezicht golvend,
ademend sta ik Uw zon.
Lloyd Haft
Brandende lisdodden, Querido, Amsterdam, 1984
&
Bremstruikzaden
Ze lagen op een kale bontjas op het mos.
De knopen waren afgerukt of bijna los.
Met zachte ploffen sprongen zaden open,
met ronde tonen riep een koekoek in het veld.
Fijn als een krekelvleugel was haar stem,
de palmen van twee kleine handen biddend
voor een schrijn was haar verscholen plekje.
Een fitis vlinderde door uitgebloeide brem,
een spinnetje gleed uit een bladerluik
tot op het donshaar van haar onderbuik
toen eeuwigheid geboren werd uit tijd
en zweet uitgroeide tot volmaakte parels strijd.
En wat nooit meer vergeten worden zou,
trok zich tot slot terug in schittering van dauw.
Jasper Mikkers
V, Hoenderbossche Verzen, Uden, 2004
BROODBOOM
Vernissage of de tuin bestaat (VII)
De tuin gedekt gelijk de tafel.
De broodboom zwaar, frambozen aan de tak.
De pruimen rijp. Onder de varens
een huis voor ons. Een onderdak.
Wij zitten zwijgend in de hitte
en leren samen aan eenzelfde les
en heel de wolkeloze, groene woensdagmiddag
de scherpe geur van de jeneverbes.
Achter de grijze hagen vijandig ver geratel,
de ridders uit ons boek op hun roofzuchtige tocht.
Uw klein gezicht dichtbij, warm en zachtmoedig
alsof uw tederheid voor mij een uitweg zocht.
Aleidis Dierick
V, Hoenderbossche Verzen, Uden, 2004
BROODBOOM
Vernissage of de tuin bestaat (VII)
De tuin gedekt gelijk de tafel.
De broodboom zwaar, frambozen aan de tak.
De pruimen rijp. Onder de varens
een huis voor ons. Een onderdak.
Wij zitten zwijgend in de hitte
en leren samen aan eenzelfde les
en heel de wolkeloze, groene woensdagmiddag
de scherpe geur van de jeneverbes.
Achter de grijze hagen vijandig ver geratel,
de ridders uit ons boek op hun roofzuchtige tocht.
Uw klein gezicht dichtbij, warm en zachtmoedig
alsof uw tederheid voor mij een uitweg zocht.
Aleidis Dierick
Een zomer voorzien, Gottmer/Orion, Nijmegen/Brugge, 1977
&
snackbar
Wie broodboom dood
onteert in elke worp
waarin het zaad niet zingt
tot zengende granaat van nood
aan eigen morgenmonden
wie broodboom dood
belijdt in elke vonk
die uit zijn loof gedropt
de nood bevrucht en 't AL
wordt in 't aanbiddend NU
Pol Le Roy
Spel en spiegel, De Roerdomp, Brecht/Antwerpen, 1967
BRUIDSSLUIER
Bruidssluier
Eigenlijk hebben we het
stadium van de hooizolder
nooit helemaal achter ons gelaten.
Alles beter dan een
doorsneerelatie, die gevangenis
van het patriarchaat.
Je voerde een zachte guerilla
tegen de gevestigde orde - samen
belichaamden wij een kruistocht tegen
de machohorden - alhoewel het
enige lichaam dat mij bekoorde het
jouwe was en ik de geest van je
feminisme hooguit zag als een
spannende bruidssluier die ik bed
van je naaktheid mocht trekken.
Rogier de Jong
Momento, Uitgeverij Liverse, Dordrecht, 2021
&
De tuin van Doornroosje
La vida sueño (Calderon)
Binnen wallen van lover wil ik wonen
Klimroos en haagdoorn sluiten mij veilig in.
Vingerhoedskruid bij de hand en
ook het laatste spinnewiel verbrand.
Bruidssluier liegt elk voorjaar een nieuwe jeugd.
Kastanjelaars botten met scepter en kaarsen voor
de prins die komen moet. Na honderd jaar nachtschade
zal ik dagschone zijn.
Want steenbreek en wederik
weerstaan het hevigste waaien.
Voor de winter hou ik toverhazelaar
en ridderspoor binnen droombereik.
Reine Wellens
De vier seizoenen of het eeuwig leven, onuitgegeven bundel
BUDDLEJA
De toekomst van de rups
Neem mijn oor mee naar huis
fluister wat je niet kan zeggen
als mijn lichaam er aan vast zit
Ik kan wel een tijdje met
een enkel oor toe, ik luisterde
altijd al te goed
De buddleja die je me gaf heeft
er lang over gedaan om groot
te groeien maar op een dag
kwamen de vlinders vanzelf
Rinske Kegel
Het Liegend Konijn 2, Uitgeverij Van Halewyck, Leuven, 2014
BUXUS
wonderland
er hangt een wolk boven ons
een lege tekstballon die zwijgend
met ons meebeweegt, zinderend
als een zwerm muggen boven een jogger
er bestaan nochtans woorden voor
de mate waarin iets bevroren is,
de omtrek van een meisje in het bed
dat net nog lag te slapen en nu vlucht,
een relatie waar woordenschat magert als
de aangevreten buxus voor het huis
het zijn koopjes, we zouden naar de tuinzaak kunnen
een flesje kopen met 'drink me' erop om te krimpen
we kunnen weer takjes, in de knop, zaadjes zijn
dit keer in dezelfde richting groeien
Femke Vindevogel
Het Liegend Konijn, Rekkem-Menen, 2020/1